Toelichting richtlijnen internet

Algemeen

Bij het gebruik van internet voor reclame en informatie over geneesmiddelen is in zijn algemeenheid te stellen dat wat off-line geldt, ook on-line geldt. Zo is het antwoord op de vraag naar de grens tussen reclame en informatie niet afhankelijk van de aard van het medium. Er is tot op heden in Nederland geen specifieke regelgeving met betrekking tot geneesmiddelenreclame en internet. De toelaatbaarheid van reclame via dit medium wordt geregeld door middel van al bestaande regelgeving, namelijk de wettelijke regelingen en zelfreguleringscodes. Toch is er behoefte aan duidelijkheid over aspecten die specifiek met het medium internet te maken hebben, zoals de in beginsel onbeperkte toegang voor eenieder, de mogelijkheid van doorlinken, en de internationale elementen. In deze Richtlijnen is onder meer aangesloten bij de “Guidelines for Internet web sites available to health professionals, patients and the public in the EU” van EFPIA (2001).

Verhouding met andere regelingen

De regels waaraan geneesmiddelenreclame thans moet voldoen, en die neergelegd zijn in de Gedragscode Geneesmiddelenreclame, gelden voor alle reclame-uitingen, ongeacht het medium. De Gedragscode bevat geen specifieke regeling over reclame en informatie op internet. Toch is gezien het specifieke karakter van internet nadere invulling van deze regels op een aantal punten wenselijk. De CGR heeft dat in deze Richtlijnen gedaan. De bestaande wetgeving en zelfreguleringscodes blijven uiteraard integraal gelden; bij een conflict zijn deze Richtlijnen, als bijzondere regeling, met voorrang van toepassing.

Artikel 1

Artikel 1 bevat de belangrijkste begrippen die in het kader van deze Richtlijnen van belang zijn. In het kader van deze Richtlijnen wordt van een aantal definities uitgegaan, waarbij een pragmatisch aanpak is gekozen. Zo wordt bijvoorbeeld in deze Richtlijnen het onderscheid tussen link en banner opgehangen aan de commerciële intentie van de verwijzing, terwijl voor dit onderscheid in een ander kader wellicht ook andere factoren van belang zijn. Een website is een verzameling documenten op het internet, aangeduid met een internetadres (voorbeeld: http://www.cgr.nl). Hieraan kan men zien op welke website men zich bevindt. De domeinnaam is daarvan het meest individuele gedeelte (in het voorbeeld: “cgr”). Door middel van een hyperlink (of link) kan men zich verplaatsen van de ene naar de andere website of pagina op een website. Deze links zijn herkenbaar doordat een bepaald woord is onderstreept, vetgedrukt of gekleurd. Door met de cursor op het woord te gaan staan verandert het pijltje in een handje, en bij aanklikken “linkt” men automatisch door naar een andere website of pagina. Een link hoeft dus niet per definitie te verwijzen naar een website op een ander internetadres, maar men kan ook linken naar dieper liggende pagina’s. Vgl. de website van de CGR: door vanaf de homepage te linken naar de tekst van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame blijft men binnen het internetadres www.cgr.nl. Men kan echter ook doorlinken naar de deelnemende organisaties, en dan verlaat men wel het internetadres van de CGR. Uit het internetadres kan men afleiden waar men zich bevindt. In het kader van deze Richtlijnen wordt een banner gedefinieerd als een afbeelding of tekst binnen een kader, een zogenaamde wimpel, met een wervend karakter.

Het verschil tussen link en banner heeft te maken met het wervende of ”aantrekkende” karakter. Ook al wordt men met  de banner naar exact dezelfde informatie geleid als met de link, dan kan het “aantrekkende” karakter van de banner worden uitgelegd als een sturing richting die informatie met (mede) een commerciële intentie. Dat is ook de reden dat in de artikelen 12 en 13 verdergaande eisen worden gesteld aan deze “wervende” banners.

Artikel 2, 3 en 4

Deze artikelen bevatten algemene eisen waaraan iedere website dient te voldoen. Het uitdrukkelijk toestaan van het gebruik van een merknaam (of generieke naam) van een geneesmiddel in een internetadres sluit aan bij de geldende opvattingen hierover. Cruciaal is de inhoud van de site, niet de naam. Uit artikel 4 vloeit voort dat de verantwoordelijke voor de site er zorg voor dient te dragen dat de informatie up to date en accuraat is.

Artikel 5

De wet staat informatie over receptgeneesmiddelen toe. Artikel 85 sub a van de Geneesmiddelenwet verbiedt publieksreclame voor receptgeneesmiddelen. De  vraag wanneer een uiting als reclame dan wel als informatie dient te worden beschouwd wordt uitgewerkt in de Nadere invulling van het onderscheid tussen reclame en informatie voor geneesmiddelen (concept maart 2002). In de onderhavige richtlijnen wordt van het daar gemaakte onderscheid uitgegaan. Voor de toelichting wordt verwezen naar genoemde Nadere Invulling.

Artikel 6  en 7

Artikel 6 stelt buiten twijfel dat er in een aantal gevallen in elk geval sprake is van informatie. Aangesloten wordt bij de (overigens niet limitatieve) opsomming in de Nadere Invulling.
Artikel 7 verwijst naar de artikelen 4 en 5 van de Nadere Invulling. Deze artikelen stellen eisen aan de inhoud van de informatie. Voor een toelichting wordt verwezen naar de Nadere Invulling. Volgens artikel 5 van de Nadere Invulling moet informatie over geneesmiddelen altijd de verkorte bijsluitertekst bevatten. Op internet mag (daarnaast of in plaats daarvan) ook een link naar die bijsluitertekst worden opgenomen.

Artikel 8

Het moge duidelijk zijn het verbod uit artikel 8 geldt niet voor zelfzorggeneesmiddelen. Reclame voor zelfzorggeneesmiddelen op internet hoeft dan ook niet anders te worden beoordeeld dan voor welk medium dan ook. De Keuringsraad KOAG/KAG  toetst alle reclame-uitingen richting het publiek preventief, óók die op internet.

Artikel 9

Reclame voor receptgeneesmiddelen gericht tot beroepsbeoefenaren is toegestaan, ook op internet. Het verbod voor publieksreclame voor geneesmiddelen geldt onverkort. Gezien het in beginsel voor eenieder toegankelijke internet, is het de vraag in hoeverre en op welke wijze moet worden voorkomen dat het publiek al te gemakkelijk en nietsvermoedend wordt blootgesteld aan reclame-uitingen voor receptgeneesmiddelen. Het onderhavige artikel bepaalt daarom dat het duidelijk moet zijn dat de site bestemd is voor beroepsbeoefenaren. Uiteraard is een verdergaande beveiliging, bijv. door middel van een wachtwoord, ook toegestaan.

Daarnaast is in artikel 10 opgenomen dat een bedrijf geen link mag opnemen naar een site die bestemd is voor beroepsbeoefenaren. Op internationaal niveau (IFPMA, EFPIA, ABPI, ) is gekozen voor een prominente waarschuwing op iedere pagina van de site (bijvoorbeeld: “dit is een uiting gericht op beroepsbeoefenaren”). Een belangrijke overweging voor deze optie is dat het publiek in bijv. een bibliotheek in bladen voor beroepsbeoefenaren reclame-uitingen voor receptgeneesmiddelen kan vinden, waarbij aannemelijk is dat voor de lezer duidelijk is dat die bladen niet primair op het publiek gericht zijn. De mogelijkheid bestaat dat een reclame-uiting is opgenomen in “ vrij toegankelijke” Nederlandse tijdschriften gericht tot beroepsbeoefenaren (zoals het Pharmaceutisch Weekblad, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde e.d.). Deze tijdschriften zijn in openbare bibliotheken in papieren vorm ook voor eenieder - zonder nadere beperkingen -  in te zien. Er is geen reden aan dergelijke reclame-uitingen in de elektronische versie beperkingen op te leggen. Men komt immers pas bij de betreffende reclame-uiting via de site van het betreffende tijdschrift, zodat het duidelijk is dat de uiting is bestemd voor beroepsbeoefenaren.

Artikel 10

Artikel 10 stelt voorop dat een link naar een andere site is toegestaan, tenzij er sprake is van twee gevallen. De link mag niet wervend van karakter zijn en ook mag een link niet leiden naar een site (al dan niet van datzelfde betreffende bedrijf) die uitsluitend is bestemd voor beroepsbeoefenaren. Op deze wijze wordt voorkomen dat het publiek rechtstreeks toegang heeft tot informatie/reclame die uitsluitend bestemd is voor beroepsbeoefenaren. Een farmaceutisch bedrijf kan uiteraard niet instaan voor de inhoud en de verdere doorlinkmogelijkheden van sites van derden die via zijn site bereikbaar zijn. Een “disclaimer” moet de bezoeker erop moet attenderen dat hij de site van het bedrijf verlaat en terecht gaat komen op een site die niet onder de verantwoordelijkheid van dat bedrijf valt. Het moet voor de bezoeker duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor die andere site. In dat verband verdient het aanbeveling om door te linken naar de homepage van die andere site. Hierbij wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 4 van de Guidelines van EFPIA over internet.

Artikelen 11 en 12

Banners zijn in het kader van deze Richtlijnen gedefinieerd als commerciële aanduidingen binnen een kader (“reclame-wimpels”). Twee vragen zijn relevant wanneer een banner op een publiekssite staat: a. wat mag een banner vermelden? en b. naar welke site mag die banner leiden? Essentieel is dat voorkomen moet worden dat de (argeloze) bezoeker al te gemakkelijk (laat staan automatisch) naar een site over een specifiek geneesmiddel wordt “getrokken”.

Artikelen 13 en 14

Het is in het belang van de patiënt om nadere informatie, zoals de volledige IB-tekst, te allen tijde te kunnen raadplegen. Daarvoor is de vermelding van het internetadres op de verpakking en/of in de bijsluiter wenselijk en noodzakelijk. Uiteraard moet de site waarnaar wordt verwezen aan de eisen van de onderhavige Richtlijnen voldoen. In artikel 14 is buiten twijfel gesteld dat een bedrijf de patiënten die verdere informatie zoeken (al dan niet “op maat”) de mogelijkheid moet kunnen bieden om dit via e-mail (op) te vragen. Er is geen reden om die informatie-uitwisseling via digitale weg niet toe te staan.

Artikelen 15 en 16

De Gedragscode Geneesmiddelenreclame is van toepassing op reclame-uitingen in Nederland. Internet is een medium dat niet bij de landsgrenzen ophoudt, en alle informatie en reclame op internet is – in beginsel - ook in Nederland toegankelijk. Dat betekent echter niet dat de Code op alle uitingen op internet van toepassing is. De CGR is bevoegd kennis te nemen van uitingen die in Nederland toegankelijk zijn mits die uitingen wat woord en inhoud betreft onmiskenbaar op Nederland zijn gericht. De volgende aspecten kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een uiting onmiskenbaar is gericht op het Nederlandse publiek:
1. de taal waarin de uiting is gesteld;
2. de nationaliteit van de provider;
3. de vraag of en (zo ja) de wijze waarop de site in de nationale media wordt aangekondigd;
4. aanwezigheid van referenties aan het gebruik, de beschikbaarheid of de prijs van (bepaalde) geneesmiddelen in Nederland;
5. illustratieve aankleding en andere associaties met Nederland.
Het enkele feit dat het betreffende geneesmiddel ook in Nederland verkrijgbaar is, is onvoldoende aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de CGR.
De regels die zijn neergelegd in de artikelen 15 en 16 zijn vrij algemeen op internationaal niveau geaccepteerd, en bovendien werkbaar en reëel  (Zie uitgebreid Praktijkboek Reclamerecht Hoofdstuk V (Moerel), VG 8 (november 2001).

(Vastgesteld door het Bestuur van de CGR op 13 juni 2002, gewijzigd per 1 oktober 2007)