Artikel 6.5.2 voorziet in cumulatieve voorwaarden waarbij wordt vermoed dat het kennelijk verkoopbevorderend doel bij een financiële relatie tussen vergunninghouder en een niet-beroepsbeoefenaar afwezig is. Het zijn inhoudelijke voorwaarden die afhankelijk van de potentiële invloed die de niet-beroepsbeoefenaar heeft op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen, moeten worden ingevuld. Eerst zal moeten worden vastgesteld of de niet-beroepsbeoefenaar invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen. Als dat niet het geval is, dan valt de financiële relatie met deze niet-beroepsbeoefenaar buiten de werkingssfeer van de Gedragscode (zie art. 1.2). Indien er wel sprake is van een niet-beroepsbeoefenaar met een mogelijke invloed op het voorschijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen, kan op basis van de cumulatieve voorwaarden van art. 6.5.2 worden bepaald of het kennelijk verkoopbevorderend doel inderdaad afwezig is. Bij deze groep niet-beroepsbeoefenaren kan worden gedacht aan zorgverleners die bij het verstrekken van geneesmiddelen zijn betrokken maar geen bevoegdheid hebben geneesmiddelen voor te schrijven of af te leveren (zoals praktijkondersteuners, zie ter illustratie adviesoordelen A15.109 en A16.068), aan zorgprofessionals die zijn betrokken bij de diagnosestelling (zoals klinisch chemici, klinisch genetici, klinisch moleculair biologen, pathologen  en microbiologen (zie bijvoorbeeld adviesoordelen A15.039, A17.019 en A17.080)), aan onderzoekers (zie bijvoorbeeld adviesoordeel A16.071), aan bestuurders van zorginstellingen, zorggroepen of zorgverzekeraars en aan vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties.
Relaties met deze niet-beroepsbeoefenaren zijn bijvoorbeeld dienstverleningsovereenkomsten waarvoor een bepaald honorarium wordt betaald of het (al dan niet via een derde partij) verlenen of vergoeden van gastvrijheid tijdens een nascholingsbijeenkomst. Voor het verlenen van gastvrijheid bij wetenschappelijke bijeenkomsten worden verpleegkundigen die in de uitoefening van hun beroep in opdracht van een arts geneesmiddelen toedienen of verstrekken, beschouwd als beroepsbeoefenaar (zie art. 6.4.2 van de Gedragscode).
Hieronder volgt een nadere toelichting op de voorwaarden.

 
Ad a. De relatie dient een gezondheidsbelang
Deze voorwaarde betreft het doel van de financiële relatie (zie art. 6.1.2 onderdeel b). Van belang is dat deze een gezondheidsbelang dient dan wel behoort tot het normale rechtsverkeer. Het is een voorwaarde die ook geldt voor relaties met beroepsbeoefenaren, zoals:
- de voorwaarde voor een dienstverleningsovereenkomst dat deze in het belang dient te zijn voor de uitoefening van de geneeskunst, de farmacie, de tandheelkunst, de verpleegkunst of de verloskunst;
- de voorwaarde voor bijeenkomsten dat het inhoudelijke (wetenschappelijke) programma het hoofddoel dient te zijn van de samenkomst.
 
Ad b. De relatie leidt niet tot beïnvloeding van de begunstigde om de verkoop van geneesmiddelen van de sponsor te bevorderen
Deze voorwaarde bepaalt dat de financiële relatie niet mag leiden tot beïnvloeding van de begunstigde, met het kennelijke doel de verkoop van een geneesmiddel te bevorderen. Uiteraard kan de financiële relatie leiden tot een zekere ‘spin off’’, zoals een grotere naamsbekendheid en/of beter imago van een vergunninghouder. Het direct of indirect koppelen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen aan het inkopen of adviseren van bepaalde geneesmiddelen is uit den boze. Iedere (schijn van) beïnvloeding met het kennelijke doel de omzet van een geneesmiddel te bevorderen, zoals de betrokkenheid van marketing van vergunninghouders, moet worden vermeden. Voor het aanbieden van een nascholing (incl. gastvrijheid) is van belang dat de samenkomst geen (in)directe aanprijzing betreft (zie adviesoordelen A14.039 en A17.056 en het verbod op publieksreclame ex art. 5.6.1 ). Deelname aan een manifestatie – waarbij een kennelijk verkoopbevorderend doel wordt aangenomen – is dan ook niet toegestaan.

 
Ad c. De aard en inhoud gaan niet verder dan het beoogde doel te bereiken
Op basis van deze voorwaarde dient de noodzakelijkheid en redelijkheid van de financiële relatie te worden getoetst (vergelijk met voorwaarde e. van art. 6.5.3). Als bijvoorbeeld niet vaststaat dat de aanwezigheid van (bepaalde) niet-beroepsbeoefenaren bij een bijeenkomst voor beroepsbeoefenaren zinvol is voor de kennisuitwisseling, dan bestaat voor het aanbieden van gastvrijheid aan deze niet-beroepsbeoefenaren geen rechtvaardiging.

 
Ad d. De relatie vindt op integere en transparante wijze plaats en wordt schriftelijk vastgelegd
Deze voorwaarde stelt dat de financiële relatie vooraf dient te worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, met de daaraan gekoppelde vereisten (overeenkomstig art. 6.3.2 voor dienstverleningsovereenkomsten en art.6.4.4 onderdeel a voor sponsoring van bijeenkomsten respectievelijk art. 6.4.6 lid 3 voor de individuele vergoeding van gastvrijheidskosten).

 
Ad e. De relatie leidt niet tot aantasting van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de begunstigde en andere betrokkenen
Deze voorwaarde betreft de essentie dat moet worden voorkomen dat vergunninghouders en niet-beroepsbeoefenaren bij hun onderlinge verkeer zich op onoorbare wijze jegens elkaar verplicht zouden voelen. Bij een rechtstreekse vergoeding van bijvoorbeeld reis- en/of verblijfkosten aan een niet-beroepsbeoefenaar voor deelname aan een bijeenkomst, zal de niet-beroepsbeoefenaar zich eerder onoorbaar verplicht voelen richting de vergunninghouder dan wanneer de bijdrage voor de deelname loopt via de instelling waaraan de niet-beroepsbeoefenaar verbonden is of wanneer de sponsoring vanuit het bedrijfsleven verloopt via een onafhankelijke congresorganisator. Als de vergoeding afkomstig is van meerdere vergunninghouders, komt dat de onafhankelijkheid van de financiële relatie ten goede. Waar het verder om gaat is dat de integriteit, de onafhankelijkheid en het imago van alle betrokken partijen niet in het geding komen.

 
Ad f. De hoogte van de vergoeding blijft beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is en gaat niet verder dan vergelijkbare relaties met beroepsbeoefenaren
Op grond van deze voorwaarde mogen financiële relaties met niet-beroepsbeoefenaren wat betreft de vergoeding niet verder gaan dan strikt noodzakelijk en in ieder geval binnen de normen die gelden voor relaties met beroepsbeoefenaren op grond van paragrafen 6.2 tot en met 6.4. Dat betekent onder meer dat de vergoedingen dienen te beantwoorden aan de uitgangspunten die ook voor beroepsbeoefenaren gelden. In geval van een dienstverleningsovereenkomst dient de hoogte van het honorarium te passen binnen het tarief dat in het maatschappelijke verkeer voor dat soort (zorg)dienstverleners gebruikelijk is. Geboden gastvrijheid dient beperkt te blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor deelname aan de bijeenkomst (zie ter illustratie adviesoordelen A16.068, A16.071 en A17.019).
Bepalingen binnen paragrafen 6.2 tot en met 6.4 die specifiek zien op beroepsbeoefenaren (zoals artt. 6.2.3 en 6.2.4) en de meer procedurele verplichtingen (zoals art. 6.4.9) gelden niet voor de relaties met niet-beroepsbeoefenaren.